Blog

Een zee van gedachten
Artikel Islam

Een zee van gedachten

Al-Ghazali over de namen van Allah

Abu Hamid al-Ghazali (1058-1111) was theoloog, beoefenaar van de logica, jurist en mysticus. In zijn bekende verhandeling over de negenennegentig namen van Allah stelt hij het fenomeen ‘namen’ aan de orde en bespreekt hij Allah’s namen. Hij doet dat op zo’n manier dat je je als lezer rechtstreeks aangesproken voelt en betrokken wordt bij Al-Ghazali’s ‘zee’ van gedachten. Een zee waarin hij de lezer als het ware steeds weer een reddingsvest toewerpt.

In onderstaand artikel is Al-Ghazali’s toelichting bij drie namen in vertaling opgenomen, ingebed in een korte toelichting bij zijn boek. Het is niet de bedoeling om Al-Ghazali’s ideeën uitgebreid te behandelen, maar om een tipje van de sluier op te lichten, zodat de lezer ook Al-Ghazali’s interessante boek in de prachtige vertaling van Burrell en Daher zal willen gaan lezen, insja’Allah.[1]

In het eerste deel van zijn boek gaat Al-Ghazali in op taalfilosofische kwesties. Die kwesties betreffen het onderscheid tussen een naam zelf en datgene waaraan een naam wordt gegeven, het onderscheid tussen namen die ogenschijnlijk hetzelfde betekenen, en de vraag of wij mensen God kunnen kennen. Over dat laatste schrijft Al-Ghazali onder meer het volgende:

“(…) wanneer we weten dat God de Hoogste leeft, machtig en wetend is, dan kennen we slechts onszelf, aangezien we Hem alleen kennen via onszelf. Want de dove kan onmogelijk begrijpen wat het betekent wanneer we zeggen dat Hij ziet. Wanneer iemand vraagt hoe je van God – groot en glorieus – kan zeggen dat Hij dingen weet, antwoorden we: net zoals jij dingen weet. En als iemand vraagt hoe Hij machtig kan zijn, antwoorden we: net zoals jij machtig bent. Een mens kan namelijk niets begrijpen, tenzij hij iets in hem heeft dat daarmee overeenkomt. Hij weet op de eerste plaats wat hem kenmerkt, en leert daarna iets anders dan zichzelf kennen op basis van vergelijking. (…) Iedereen begrijpt namelijk alleen zichzelf, en vergelijkt zijn eigenschappen vervolgens met die van God de Hoogste. Maar Zijn eigenschappen zijn te verheven om op die van ons te lijken! Dus de kennis die we hebben is niet genoeg, en is er een waarin het zich voorstellen en overeenkomsten domineren. Onze kennis moet daarom worden aangevuld met kennis waarin elke overeenkomst wordt ontkend, en die elke grond voor vergelijkbaarheid verwerpt, ook al gaat het om dezelfde naam”.[2]

In het tweede deel van zijn boek geeft Al-Ghazali een uitleg van de negenennegentig namen van Allah. Aan bijna iedere naam verbindt hij ook een advies voor de gelovige. Soms verplaatst hij zich nogmaals in de gelovige door een vraag te stellen, waarop hij dan weer een advies geeft. Hiermee probeert Al-Ghazali de lezer zo veel mogelijk handreikingen te geven om de betekenis van de namen goed tot zich door te laten dringen. Hoe hij dat precies doet – onder meer door het gebruik van metaforen – en hoe uitgebreid, mag blijken uit de drie voorbeelden hieronder.

Al-Mu’min

“7. Al-Mu’min – de Getrouwe – is degene aan wie zekerheid en veiligheid worden toegeschreven omdat Hij de middelen beschikbaar stelt om dit te bereiken en het pad met gevaren afsluit. Zekerheid en veiligheid zijn namelijk alleen voorstelbaar waar sprake is van angst, en angst ontstaat alleen wanneer de kans bestaat op vernietiging, verzwakking of afbraak. De absoluut getrouwe is God – dat Hij mag worden geprezen en verheerlijkt – omdat van Hem alleen zekerheid en veiligheid afkomstig zijn. (…)

Laten we ons voorstellen dat een man alleen is, achtervolgd wordt door een aantal van zijn vijanden, neer wordt geslagen en zijn ledematen niet meer kan bewegen. Zelfs als hij ze kon bewegen, dan had hij nog geen wapen bij zich; of als hij wapens had, dan kon hij zijn vijanden niet in zijn eentje verslaan; of als hij soldaten had, dan zou hij er niet zeker van zijn dat zijn soldaten niet verslagen zouden worden. En hij heeft ook geen fort om zich in te verschuilen. Dan komt er iemand die zich om zijn zwakheid bekommert, hem versterkt, hem voorziet van soldaten en wapens, en een veilig fort voor hem bouwt, waar hij zekerheid en veiligheid vindt. Het is dan gepast dat zo iemand ‘getrouw’ wordt genoemd.

Van nature is de mens zwak, overgeleverd aan ziekte, honger en dorst van binnenuit, en aan verbranding, verdrinking, verwondingen en wilde dieren van buitenaf. De enige die hem kan beschermen tegen deze gevaren is degene die medicijnen geeft om ziekte te bestrijden, voedsel om honger te stillen en drinken om dorst te lessen, ledematen om zijn lichaam te beschermen, en zintuigen die hem waarschuwen voor alles wat hem wil vernietigen. Dan is er nog het grootste gevaar – dat van eeuwige vervloeking – waartegen niets hem zal beschermen behalve de getuigenis van het geloof in de eenheid van God. Want God – dat Hij mag worden geprezen en verheerlijkt – leidt hem ernaar toe en laat hem ernaar verlangen, zodat Hij zegt: ‘”Er is geen god dan God”, is Mijn fort, en iedereen die Mijn fort binnenkomt, is veilig voor Mijn straf’.[3] Want er is geen zekerheid in de wereld, behalve wanneer die komt van bemiddelaren, die Hij alleen creëert en door ons laat gebruiken. Want Hij is degene die elk ding zijn aard gaf en vervolgens recht leidde (20:50). Hij is waarlijk de Ene Getrouwe.

Advies: Het aandeel van de mens in deze naam en eigenschap bestaat er uit dat alle schepselen veilig bij hem zijn. Daarbij komt dat iedereen die bang is, hulp van hem kan verwachten als het er om gaat onrecht bij hen weg te houden (…). Zoals de boodschapper van God – Gods zegen en vrede zij met hem – zei: ‘Wanneer iemand in God en de laatste dag gelooft, is zijn buur veilig voor zijn wandaden’.[4] Degenen die het meest de naam ‘getrouw’ verdienen, helpen een mens om zich te beschermen tegen de bestraffingen door God, leiden hem naar de weg van God – groot en glorieus – en wijzen hem de weg naar verlossing. Dit is de roeping van profeten en geleerden, en daarom heeft de boodschapper van God – Gods zegen en vrede zij met hem – gezegd: ‘Jullie haasten je naar het vuur zoals motten er in grote getale naar toe vliegen, en ik ben degene die  jullie ervan afhoudt’.[5]

Veronderstelling en Advies: Misschien zul je zeggen: in werkelijkheid komt angst van God de Hoogste, want alleen Hij kan iemand angst laten hebben. Hij laat Zijn dienaren angstig zijn, en Hij creëerde de oorzaken van angst, dus hoe kan [het geven van] zekerheid aan Hem worden toegeschreven? Om je vraag te beantwoorden, (…) zowel angst als zekerheid komen van Hem, omdat hij de schepper is van zowel de oorzaken van veiligheid als van angst. Dus het feit dat Hij degene is die voor angst zorgt, weerhoudt Hem er niet van om getrouw te zijn [d.w.z. degene die ons veilig doet zijn], net zomin als het feit dat Hij degene is die vernedert het onmogelijk zou maken om degene te zijn die iemand eer bewijst – Hij is waarlijk zowel de Vernederaar als de Eerbewijzer [zie de namen 25, 26]. En evenmin sluit het feit dat Hij degene is die verlaagt het feit uit dat Hij degene is die verhoogt, want hij is zowel de Verlager als de Verhoger [zie namen 23, 24]. Op dezelfde wijze is Hij de getrouwe en degene die angst veroorzaakt, maar de Goddelijke openbaringen maken in het bijzonder melding van ‘getrouwe’ en niet van ‘degene die angst veroorzaakt’”.[6]

Al-‘Aziz

“9. Al-‘Aziz – de Voortreffelijke – is degene die zo belangrijk is dat er weinigen bestaan zoals hem, en hij is iemand aan wie er een intense behoefte is als ook iemand die moeilijk toegankelijk is. Wanneer deze drie betekenissen niet kunnen worden gecombineerd, kan niet worden gesproken van ‘voortreffelijk’.

Er zijn veel zaken in de wereld die zeldzaam zijn, maar als ze van weinig belang of nut zijn, worden ze niet ‘voortreffelijk’ genoemd. Er zijn ook veel zaken die zeer belangrijk zijn, maar als ze gemakkelijk toegankelijk zijn, worden ze niet ‘voortreffelijk’ genoemd. De zon en de aarde, bijvoorbeeld, hebben geen gelijken. Het profijt dat we van hen hebben is overvloedig en we hebben hen beiden heel hard nodig, maar geen van beiden kan ‘voortreffelijk’ worden genoemd, omdat het niet moeilijk is om beiden te observeren. Dus het is onvermijdelijk dat alle drie betekenissen tegelijkertijd moeten gelden.

Daarbij komt dat in elke betekenis iets van perfectie en imperfectie zit. Perfectie in zeldzaamheid betekent dat er maar één van is, want niets is zeldzamer dan één. En wanneer het gaat om één in de zin dat er niets is dat er op lijkt, dan geldt dat alleen voor God de Hoogste. Want ook al is er maar één zon, dan is die niet uniek in mogelijkheid, omdat het mogelijk is dat er nóg zoiets bestaat. Perfectie in kostbaarheid en intense behoefte betekent dat alle dingen het voor alles nodig hebben – voor hun bestaan, hun eigenschappen, hun overleving; en alleen God – groot en glorieus – kan hierin perfect voorzien. Perfectie in de moeilijkheid met betrekking tot toegankelijkheid ligt in de onmogelijkheid om Hem te bereiken in de zin van begrijpen. Zijn wezen, en alleen God – groot en glorieus – is daarin perfect, aangezien (…) alleen God God kent. Hij is dus waarlijk en absoluut voortreffelijk, en er is niets dat hem hierin evenaart.

Advies: Iemand is ‘voortreffelijk’ onder de mensen wanneer Gods mensen hem nodig hebben in zaken die van het grootste belang voor hen zijn, zoals het volgende leven en eeuwig geluk. Dit is uitermate zeldzaam en moeilijk te bereiken, behalve door degenen die de status van profeet hebben – moge Gods zegen op hen allen rusten. Deze voortreffelijkheid delen ze met degenen die hun niveau naderden, zoals de kaliefen en de begunstigden van de profeten onder de geleerden. (…)”.[7]

Al-Ghaffar

“15. Al-Ghaffar – Hij die vol vergiffenis is – is degene die zichtbaar maakt wat mooi is en verbergt wat lelijk is. Zonden behoren tot de lelijke dingen die Hij verbergt, door er een sluier over te laten vallen in deze wereld, en er van af te zien om ze te vergelden in de wereld hierna. Vergeven is dus verbergen.

Ten eerste verborg Hij de lelijke delen van het menselijk lichaam, de delen die de ogen afzichtelijk vinden, binnenin, en bedekte deze met een mooi uiterlijk. Hoe groot is het verschil tussen de buitenkant en de binnenkant van een mens wat betreft reinheid en onreinheid, lelijkheid en schoonheid! Denk na over wat Hij zichtbaar maakt en wat Hij bedekt.

Op de tweede plaats zorgde Hij ervoor dat het binnenste van het hart van de mens de slechte gedachten en bedoelingen huisvest, zodat niemand zijn geheimen kan ontdekken. Want als mensen zouden ontdekken wat zijn geest aan slechte gedachten zou bevatten, wat voor bedrog en verraad of slechte gedachten over andere mensen in zijn bewustzijn verborgen zouden zitten, dan zouden ze hem verachten (…). Denk na over hoe je geheimen en zwakke plekken verborgen zijn voor anderen!

De derde manier van verbergen bestaat er uit dat Hij de mens de zonden heeft vergeven waarvoor hij in het aangezicht van alle schepselen te schande gemaakt zou moeten worden. Hij heeft daadwerkelijk beloofd om iemands slechte daden te veranderen in goede daden[8], om iemands afstotelijke zonden te bedekken met de verdienste van goede daden wanneer iemand als gelovige sterft.

Advies: Het aandeel van de mens in deze naam bestaat uit het bedekken van datgene van anderen wat bedekt zou moeten worden van zichzelf. Zoals de Profeet zei – Gods zegen en vrede zij met hem: ‘Van iemand die de zwakke plekken van een van de gelovigen heeft bedekt, zal God – groot en glorieus – de zwakke plekken bedekken op de Dag van de Opstanding’.[9] De kwaadspreker, de bemoeial en degene die kwaad met kwaad vergeldt, zijn uitgesloten van deze eigenschap. Degene die deze kwaliteit bezit is degene die alleen openbaar maakt wat het beste is voor Gods schepping. Elk schepsel heeft iets van perfectie en iets van imperfectie of lelijkheid en schoonheid, dus iedereen die aan het lelijke voorbijgaat en het mooie noemt, bezit deze eigenschap. Zo werd verteld over ‘Isa (Jezus) – Gods zegeningen komen over hem – dat hij en zijn discipelen voorbij een dode hond kwamen wiens stank overweldigend was. De discipelen zeiden: ‘Wat stinkt dit karkas!’ Maar Jezus – vrede zij met hem – zei: ‘Wat een mooie witte tanden heeft hij!’, waarmee hij opriep om van alles datgene te noemen dat er ’t beste van is”.[10]

Meer namen

In het derde deel van zijn boek gaat Al-Ghazali in op de wijsheid achter het kennen van de negenennegentig namen. Hij stelt dat in de meest gerespecteerde hadieth verzamelingen de negenennegentig namen staan waarnaar verwezen wordt met de door Abu Huraira overgeleverde hadieth: “God – dat Hij mag worden geprezen en verheerlijkt – heeft negenennegentig namen, en degene die deze één voor één opnoemt, zal het paradijs binnengaan”. Al-Ghazali haalt nog andere namen aan waarvan geleerden vinden dat daarmee naar God verwezen kan worden. En hij haalt een hadieth aan volgens welke we niet moeten spreken over ‘Ramadan’ om naar de vastenmaand te verwijzen, maar van ‘de maand van Ramadan’, omdat Ramadan ook een naam van God is. Dat er meer namen zijn dan negenennegentig, is iets dat volgens Al-Ghazali ook uit de volgende uitspraak van de Profeet (vrede zij met hem) blijkt, en dan met name uit de zinsnede “die U Uzelf hebt toegeëigend in Uw kennis van het verborgene”:

“Wat ook het leed of de smart is waardoor iemand wordt getroffen, laat hem zeggen: ‘O God, ik ben Uw dienaar, en de zoon van Uw dienaar, en de zoon van Uw dienares: mijn voorlok ligt in Uw hand, Uw beoordeling van mij telt. Ik smeek U, met elke naam die van U is, met welke U Uzelf hebt genoemd, of die U openbaarde in Uw boek, of die U Uw schepselen hebt geleerd, of die U Uzelf hebt toegeëigend in Uw kennis van het verborgene, dat U de Koran een vernieuwing van mijn hart laat zijn, een licht voor mijn diepste gedachten, een uitweg uit mijn smart, en de oplossing van mijn leed”; en God – groot en glorieus – zal zijn leed en smart wegnemen en vervangen door geluk”.[11]

[1] Al-Ghazali: The ninety-nine beautiful names of God. Al Maqsad al-asna fi sharh asma’ Allah al-husna. Translated with Notes by David B. Burrell and Nazih Daher. Cambridge: The Islamic Texts Society, 2012 (8e druk).

[2] Al-Ghazali (2012), p. 40.

[3] Hadith Qudsi.

[4] Muslim: Sahih, Iman 73/83. Onder redactie van Muhammad Fu’ad ‘Abd al-Baqi. Cairo, 1955-1956.

[5] Ibn Hanbal: Musnad, I, 390. Cairo, 1313; Al-Bukhari: Sahih, Riqaq 26. Onder redactie van L. Krehl en Th.W. Juynboll. Leiden, 1862-1908.

[6] Al-Ghazali (2012), p. 62-64.

[7] Al-Ghazali (2012), p. 65-66.

[8] Koran, 25:70.

[9] Ibn Hanbal: Musnad, IV, 159; Al-Bukhari: Sahih, Mazalim 3.

[10] Al-Ghazali (2012), p. 73-74.

[11] Ibn Hanbal: Musnad, I, 391.

Auteur: Karen Ghonem, gepubliceerd in het Al Nisa maandblad. Februari 2013 

Geef een reactie