Blog

Gastvrijheid
Artikel Islam

Gastvrijheid

Wat is gastvrijheid? Wie verschaft gastvrijheid, wanneer en waarom? Wie komt er in aanmerking voor gastvrijheid, wanneer en waarom? Iedereen wordt in het dagelijks leven wel eens geconfronteerd met deze vragen. Talrijke theorieën zijn ontwikkeld om op deze vragen een antwoord te geven. Volgens sommige theorieën heeft gastvrijheid te maken met ‘het bezweren van gevaar’ door het aangaan van een relatie waarin wederkerigheid en respect worden verwacht. Andere theorieën leggen een verband tussen gastvrijheid en moraliteit, waarbij een ‘verzoening met hogere centrale waarden’ wordt nagestreefd.[1]

 Het concept gastvrijheid blijkt zo weerbarstig en inhoudelijk rijk te zijn dat voor de bestudering ervan universitaire opleidingen met de titel ‘Hospitality Studies’ in het leven zijn geroepen.[2] Wie de Koran naleest op gastvrijheid, ontdekt dat de Koran gastvrijheid verbindt met het geloof in God. De Koran geeft daarmee een geheel nieuw en eigen accent aan het begrijpen van het concept gastvrijheid, een accent dat bepalend is geworden voor de inhoud en betekenis van gastvrijheid in de islam.

De ethische imperatief van de Islam

“Gebiedt het behoorlijke, verbiedt het verwerpelijke en gelooft in God.” Deze oproep komt verschillende malen in min of meer dezelfde bewoordingen in de Koran voor en geldt als de ‘ethische imperatief’ van de Islam.[3] Wat ‘het behoorlijke’ (Ar.: ma‘rūf) en wat ‘het verwerpelijke’ (Ar.: munkar) is, expliciteert de Koran niet. De Koran lijkt er van uit te gaan dat de mensen wel weten wat behoorlijk en wat verwerpelijk is. Revolutionair is dat de Koran het behoorlijke en het verwerpelijke verbindt met geloven in God. Ethisch handelen wordt door de Koran onlosmakelijk en definitief gekoppeld aan geloven in God. Het geloof in God wordt daarmee de maatstaf voor wat behoorlijk en wat verwerpelijk is. Waarden en normen kunnen volgens de Koran alleen worden bezien en beoordeeld vanuit de invalshoek van het geloof. Een van de waarden waarvan de Koran hoog opgeeft is de deugd van gastvrijheid (Ar.: iyāfa), ook al komt het woord zelf niet in de openbaring voor. Wat gastvrijheid precies inhoudt, definieert de Koran niet. De betekenis van het concept moet afgeleid worden van de informatie die de Koran geeft over de omgang met gasten (Ar.: ayf).[4] Gastvrijheid lijkt in de Koran een veronderstelde en verplichte vanzelfsprekendheid: wie in God gelooft betracht gastvrijheid jegens bekenden en onbekenden.

Gastvrijheid voor de openbaring van de Koran

De deugd van de gastvrijheid is niet uniek voor de Koran. Gastvrijheid en vrijgevigheid worden in de tijd voor de openbaring van de Koran al geroemd als deugden waarop Arabische mannen zich graag voor laten staan. Deze deugden worden voor de komst van de Islam door de bedoeïenen op het Arabisch Schiereiland samen met mannelijkheid en dapperheid als de deugden bij uitstek beschouwd.[5] Met opzichtige gastvrijheid proberen zij aanzien en onvergankelijke roem te verwerven in een tijd en in een omgeving waar een leven zonder gastvrijheid haast onmogelijk is. Sommigen zijn geslaagd in die opzet. Zij leven als spreekwoordelijke voorbeelden van gastvrijheid voort in poëzie en verhalen die stammen uit de tijd van voor de openbaring van de Koran. Legendarisch is, bijvoorbeeld, de dichter Ḥātim al-Ṭā’ī uit de tweede helft van de zesde eeuw van de christelijke jaartelling. Van hem wordt ter illustratie van zijn deugd van gastvrijheid verteld dat hij als baby al de borst van zijn moeder weigerde, tenzij een tweede zuigeling werd aangelegd om uit de andere borst te drinken.[6] Er gaan verhalen rond dat Ḥātim al-Ṭā’ī zelfs vanuit zijn graf op miraculeuze wijze bewerkstelligt dat bezoekers en passanten van zijn laatste rustplaats nog steeds gastvrij met een feestmaal onthaald worden.[7]

Gastvrijheid in de Koran

De Koran lijkt de gastvrijheid uit de pre-islamitische bedoeïenensamenleving tot ‘het behoorlijke’ te rekenen, neemt haar over, maar herinterpreteert haar. Ook in de Koran is gastvrijheid onder meer verbonden met het laven en spijzigen van en het onderdak bieden aan gasten, maar het gaat nu niet meer om de eer en glorie van de gastgever. Duidelijk wordt gemaakt dat gastvrijheid een persoonlijke en sociale deugd is die – net als de devotioneel rituele plichten, de ‘ibādāt – een dubbel doel dient: allereerst is gastvrijheid een vorm van verering van God en als afgeleide daarvan versterkt gastvrijheid (de solidariteit van) de geloofsgemeenschap. In de openbaringen van de Koran die betrekking hebben op gastvrijheid spelen de profeten Moesa, Ibrahiem en Loet een hoofdrol.[8] Hun omgang met gastvrijheid vormt een toetssteen voor hun geloof en geldt als voorbeeld voor de mensheid. Gastvrijheid is in deze openbaringen verbonden met geloven in en vertrouwen op Gods voorzienigheid. Gastvrijheid is een heilige plicht, die eveneens de bescherming van de gast impliceert. De eerbiediging van dit principe kan soms een hoge tol eisen van de gastgever. De Koran illustreert dat aan de hand van de wederwaardigheden van Loet en zijn dochters. Loet is bereid zelfs de eer van zijn dochters op te offeren ter bescherming van de integriteit van zijn gasten.

Aan de hand van deze openbaringen waarin Moesa, Ibrahiem en Loet hoofdrolspelers zijn, laat de Koran zien dat ethisch handelen in het algemeen noch gastvrijheid in het bijzonder enige waarde heeft zonder geloof. De veronderstelling van de Koran lijkt te zijn dat waar de mens tijdens zijn leven op aarde de gastvrijheid van God geniet, daar moet de mens als eredienst aan God gastvrijheid aan zijn medemensen betrachten. Het voorbeeld van gastvrijheid in de Koran is Ibrahiem. De Koran laat zien hoe respectvol Ibrahiem met zijn gasten omgaat. Hij nodigt hen uit voor de maaltijd en slacht een vetgemest kalf voor hen; samen eten wordt immers gezien als het fundament van gastvrijheid.[9] Ibrahiem geldt voor moslims in vele opzichten als rolmodel. Vanwege zijn breuk met het polytheïsme van zijn vader wordt Ibrahiem wel als eerste monotheïst gezien. Zijn gehoorzaamheid aan en vertrouwen op God gaan zo ver dat hij bereid is zijn zoon te offeren. Aan deze houding dankt Ibrahiem zijn erenaam Khalīl Allāh, ‘vriend van God’. De Koran spoort de gelovigen aan in Ibrahiem’s voetsporen te treden en ‘vriend van God’ te zijn door het absolute monotheïsme aan te hangen en zich volledig over te geven aan God. Ibrahiem wordt daarom wel gezien als de ‘belichaming’ van het Koranvers (soera 4:36):

“Dient God en voegt aan Hem niets als metgezel toe. En weest goed voor de ouders en ook voor de verwant, de wezen, de behoeftigen, de verwante buur, de niet-verwante buur, de niet-verwante medeburger, hij die onderweg is en slaven waarover jullie beschikken. God bemint niet wie ingebeeld en verwaand zijn”.

In de loop van de geschiedenis van de Islam na de openbaring van de Koran wordt Ibrahiem ook op het gebied van de gastvrijheid het rolmodel dat navolging verdient. Mystici, bijvoorbeeld, schatten Ibrahiem’s voorbeeld op het gebied van de gastvrijheid zo hoog dat zij hem de erenaam Abū ayfān, ‘vader van de gasten’, hebben gegeven.[10] Zij hebben aan de hand van Ibrahiem’s voorbeeld een soort ‘ethiek van de gastvrijheid’ ontwikkeld. Daarbij maakten zij gebruik van de informatie die de Koran en vooral de traditieliteratuur bevatten met betrekking tot de gastvrijheid.

Gastvrijheid in de traditieliteratuur (Ar.: adīth)

In de traditieliteratuur wordt verslag gedaan van het voor moslims normatieve voorbeeld van de profeet Mohammed (Ar.: sunna) en zijn genoten. Een van de vele onderwerpen die in de traditieliteratuur ruimere aandacht krijgt dan in de Koran is gastvrijheid. De traditieliteratuur bevat een groot aantal passages waardoor dankzij uitspraken of handelingen van de profeet Mohammed en zijn genoten meer inzicht wordt geboden in wat gastvrijheid inhoudt. Uitgangspunt voor de uitwerking van gastvrijheid in de traditieliteratuur is een uitspraak van de Profeet die gevraagd naar ‘het beste deel van de Islam’ antwoordt dat dat “Het geven van voedsel is en het uitspreken van de vredesgroet tot bekenden en onbekenden”.[11]

Het is de traditieliteratuur die duidelijk maakt dat gastvrijheid en de aanvaarding van gastvrijheid behoren tot de zes verplichtingen die vallen onder ‘het behoorlijke’ (Ar.: ma‘rūf).[12] De gastgever hoort zijn gastvrijheid aan te bieden aan zijn gast. Weigert de gast die gastvrijheid te genieten, dan is de gast daarmee ongehoorzaam aan God en Zijn Profeet. Een gast echter die zich ongenodigd opdringt is als een indringer en een dief.[13] Boeiend is dus dat de traditieliteratuur de rechten en de plichten van zowel de gastgever als van de gast voor het voetlicht brengt. Dat komt in de volgende traditie goed naar voren: “De Profeet heeft gezegd: ‘Wie in God en in de jongste dag gelooft moet zijn gasten royaal onthalen. Hij geeft hem eten en drinken mee voor een dag en een nacht. Gastvrijheid duurt drie dagen; wat daarna komt is een aalmoes. Het is de gast niet geoorloofd zo lang bij hem te blijven dat hij hem last bezorgt’”.[14]

Opnieuw wordt duidelijk gemaakt dat geloof in God en gastvrijheid bij elkaar horen. Het is de plicht van de gastgever om naar vermogen zijn gast gastvrij te onthalen. In het oog springt dat het recht op gastvrijheid in tijd tot drie dagen gelimiteerd is. Het is dus de verantwoordelijkheid van de gast er zorg voor te dragen dat hij zijn gastgever niet tot last en ergernis wordt. De traditieliteratuur gaat ook in op andere aspecten van gastvrijheid. Overdadige pracht en praal van de zijde van de gastgever zijn ongepast. Het getuigt niet van echte gastvrijheid wanneer alleen welgestelde notabelen met macht worden uitgenodigd. Ook mensen die niets hebben en van wie geen overvloedige maaltijd terug verwacht kan worden, komen in aanmerking voor een invitatie. Zowel de gastgever als de gast moeten er acht op slaan dat de gastvrijheid in de juiste omstandigheden wordt genoten, zoals deze traditie van de profeet Mohammed  illustreert: “De Profeet kwam bij het huis van Fāṭima, maar ging er niet binnen. Toen ‘Alī thuis kwam, vertelde Fāṭima hem dat. ‘Alī sprak er met de Profeet over. De Profeet zei: ‘Ik zag bij de deur een gordijn hangen met menselijke figuren versierd. Ik heb niets van doen met dit soort decoraties’”.[15]

Mystici en gastvrijheid

Het zijn in de geschiedenis van de Islam de mystici geweest die gastvrijheid tot een onderwerp van speciale aandacht hebben gemaakt. Waarschijnlijk is de verhandeling die al-Ghazālī (gestorven in 1111) in zijn beroemde boek Het doen herleven van de religieuze wetenschappen aan de gastvrijheid wijdde het allerbekendst.[16] Al-Ghazālī gaat in zijn verhandeling in op zes aspecten: de uitnodiging tot het genieten van gastvrijheid; het aannemen van die uitnodiging; het samenzijn van gastgever en gast(en); het serveren van de gastmaaltijd; het nuttigen van de gastmaaltijd en het afscheid nemen na de gastmaaltijd. De fundamenten waarop al-Ghazālī zijn betoog baseert, zijn natuurlijk de Koran en de soenna van de Profeet. De onverbrekelijke band tussen geloof en gastvrijheid is ook voor al-Ghazālī een gegeven, zoals hij duidelijk maakt door zijn betoog te openen met de woorden van de Profeet: “Wie een afkeer heeft van zijn gast, die heeft een afkeer van God”. Al-Ghazālī gaat in op de vraag wie er in aanmerking komen voor gastvrijheid. Dit is een gevoelige kwestie, te meer daar familie en vrienden zich gemakkelijk gepasseerd kunnen voelen. Wel heeft al-Ghazālī een sterke voorkeur voor godsvruchtige gasten, een voorkeur die niet door alle mystici gedeeld wordt blijkens deze zeer populaire overlevering: “Een aanhanger van de godsdienst van Zarathustra vroeg de profeet Ibrahiem om gastvrijheid. Ibrahiem antwoordde hem: ‘Ik zal je gastvrij ontvangen op voorwaarde dat je moslim wordt’. De Zoroastriër weigerde dat en ging weg. Toen openbaarde God aan Ibrahiem: ‘Vijftig jaar lang al voorzie Ik hem in zijn levensonderhoud ondanks zijn ongeloof. Wil jij hem zelfs niet een bete broods geven als hij zich niet bekeert?’ Ibrahiem ging de Zoroastriër achterna en bood zijn verontschuldigingen aan. Toen de Zoroastriër aan Ibrahiem vroeg waarom hij van gedachten was veranderd, vertelde Ibrahiem wat hem overkomen was. Daarop bekeerde de Zoroastriër zich tot het ware geloof”.[17]

Kenmerkend voor de mystici is dat zij zich in hun denken over gastvrijheid niet alleen tot mensen beperken. Ook hongerige en dorstige dieren komen er in hun visie voor in aanmerking.[18]

Al-Ghazālī maakt met behulp van profetische tradities duidelijk dat het aanvaarden van een uitnodiging zo belangrijk is dat de genodigde daarvoor zelfs zijn vasten moet breken. Afslaan van een uitnodiging is volgens al-Ghazālī alleen toegestaan als er sprake is van ongeoorloofd voedsel of van ongeoorloofde omstandigheden. Uitgebreid gaat al-Ghazālī in op de wijze waarop gastgever en gast(en) zich moeten gedragen. Hij besteedt aandacht aan de volgorde van de gerechten, welke spijzen bij voorkeur moeten worden opgediend en hij benadrukt dat er voldoende moet zijn. Al-Ghazālī geeft daarbij aan dat mystici ervan overtuigd zijn dat het nuttigen van een aangenaam gastmaal de gast tevreden stemt jegens God. Hij rondt zijn verhandeling af met de reeds aangehaalde profetische traditie dat “gastvrijheid drie dagen duurt; wat daarna komt is liefdadigheid”.

Afronding

De Koran, de traditieliteratuur en de mystici hebben de oude bedoeïenendeugd van de gastvrijheid tot een institutie gemaakt waar de islamitische wereld om bewonderd en geroemd wordt. Niet zelden heeft een gast dezelfde ervaring als de Engelse kolonel Dickson had toen hij in 1920 door koning ‘Abdul Aziz al-Sa‘ud vorstelijk werd ontvangen met de woorden: “O gast van ons, hoewel jij ons bezoekt en onze verblijfplaats vereert met jouw komst, voelen wij ons jouw gast en beschouwen wij jou als heer des huizes”.[19]

Ook in de Hospitality Studies geldt het adagium ‘de klant is koning’. Het grote verschil echter tussen gastvrijheid in de Hospitality Studies en gastvrijheid in de Islam is dat in de Hospitality Studies gastvrijheid een commercieel product is, terwijl gastvrijheid in de Islam een wezenlijk onderdeel van het geloof in God is.

Noten

[1] Ik ontleen deze gedachten aan Mirjam van Leer en Aafke Komter: ‘Gastvrijheid, of de kunst van het ontvangen’. In: Aafke Komter (red.): Het geschenk. Over de verschillende betekenissen van geven. Amsterdam, Amsterdam University Press, 1997, p. 236-250.

[2] David Bell: ‘Tourism and Hospitality’. In: Tazim Jamal and Mike Robinson (eds.): The Sage Handbook of Tourism Studies. London etc., Sage Publications, 2012, p. 19-34.

[3] Soera’s 3:104, 110, 114; 7:157; 9:71, 112; 22:41; 31:17. Ik maak in deze bijdrage steeds gebruik van De koran. Een weergave van de betekenis van de Arabische tekst in het Nederlands door Fred Leemhuis. Houten, Het Wereldvenster, 1989.

[4] Soera 11:78; 15:51, 68; 18:77; 51:24; 54:37.

[5] Zie bijvoorbeeld Ignaz Goldziher: ‘Muruwwa und Dîn’, in zijn Muhammedanische Studien. 2 T. Hildesheim, Georg Olms, 1961 (oorspronkelijk Halle 1888-1890), I p. 1-39.

[6] Helmut Ritter: Das Meer der Seele. Mensch, Welt und Gott in den Geschichten des Fariduddin ‘Attar. Nachdruck mit Zusätzen und Verbesserungen. Leiden, E.J. Brill, 1978, p. 316.

[7] De vertellingen van duizend-en-één nacht. Uit het Arabisch vertaald door Richard van Leeuwen. Deel 5/6, Amsterdam, Uitgeverij Bulaaq 1994, p. 294-295.

[8] Voor Moesa, soera 18:77; voor Ibrahim, soera’s 15:51 en 51:24; voor Loet, soera’s 11:78; 15:68 en 54:37.

[9] Vergelijk Geert Jan van Gelder: ‘Eten, etiquette en ethiek: Voedsel in de klassiek-Arabische literatuur’. In Marjo Buitelaar en Geert Jan van Gelder (red.): Eet van de goede dingen! Culinaire culturen in het Midden-Oosten en de Islam. Bussum, Coutinho, 1995, p. 59-78, p. 62.

[10] Al-Ghazālī on the Manners Relating to Eating. Kitāb adāb al-akl. Book XI of The Revival of the Religious Sciences. Iyā’ ‘ulūm al-dīn. Translated with an Introduction and Notes by D. Johnson-Davies. Cambridge, The Islamic Texts Society, 2000, p. 30.

[11] Valerie J. Hoffman: ‘Hospitality and Courtesy’. In: Jane Dammen McAuliffe (ed.): Encyclopaedia of the Qur’an. 6 vols. Leiden/Boston, Brill, 2001-2006, II, p. 449-454.

[12] Bijvoorbeeld al-Tirmidhi in Muhammad Ali: A Manual of Hadith. Lahore, The Ahmadiyya Anjuman Ishaat Islam, zonder jaar, p. 388.

[13] Ali, p. 355-356.

[14] Geciteerd bij Wim Raven: Leidraad voor het leven. De tradities van de profeet Mohammed. Ingeleid, gekozen en uit het Arabisch vertaald door Wim Raven. Amsterdam/Leuven, Uitgeverij Bulaaq/Uitgeverij Kritak, 1995, p. 193.

[15] Ali, p. 369-370.

[16] Ik maak hier gebruik van D. Johnson-Davies’ vertaling. Zie noot 10.

[17] Ritter (1978), p. 317.

[18] Ritter (1978), p. 327.

[19] Vrij naar H.R.P. Dickson: The Arab of the Desert. A Glimpse into Badawin Life in Kuwait and Sau’di Arabia. London, George Allen and Unwin, 1949, p. 118.

AUTEUR: Herman Beck, gepubliceerd in de Al Nisa Magazine, januari 2013

 

Geef een reactie