Blog

De schone namen van God
Artikel Islam

De schone namen van God

Wie of wat is God? Hoe kunnen we iets over Hem te weten komen? Er zijn boeken in de handel waarin een lijst van de negenennegentig schone namen van God te vinden is, met vertaling en commentaar, soms zelfs met ‘gebruiksadviezen’. Maar is het zo gemakkelijk als het lijkt? Kunnen we God echt doorgronden aan de hand van die Arabische namen? En op welke manier is het kennen van die Godsnamen relevant voor de gelovigen?

De Koran bevat tal van namen van God en verwijzingen naar Zijn eigenschappen. De traditionele lijsten van negenennegentig Godsnamen zijn opsommingen van wat de asmā’ul-usnā: de mooiste, of schoonste namen worden genoemd. Er zijn verscheidene varianten van die lijst in omloop. Het getal 99 is ontleend aan een adīth in de Sahih Muslim (Boek 33, hoofdstuk Dhikr): “De Profeet heeft gezegd: ‘Allah heeft negenennegentig namen; wie die onthoudt (of in gedachten houdt), gaat het paradijs binnen’”. Daarbij moet wel worden opgemerkt, dat Gods eigenschappen en namen in werkelijkheid onbegrensd zijn qua inhoud en aantal. Het woord asmā is het meervoud van ism, ‘naam’, en usnā, het meervoud van asan, betekent zowel ‘goed’ als ‘mooi’. Omdat het hierbij om God gaat, interpreteren we deze term als een superlatief. Dus zeggen we van Gods namen dat die de beste, mooiste of, met een poëtisch term, de ‘schoonste’ namen zijn.

De allereerste regel van de Koran is: Bism-illāh ir-Ramān ir-Raḥīm, “In de naam van God, de Barmhartige, de Erbarmer”. Het is een formule die wordt herhaald aan het begin van elke (op één na) nieuwe sūra. Meteen al vindt de lezer, of toehoorder, drie van de meest voorkomende namen van God: Allāh (dè God – dus niet zo maar een verzonnen god), en vervolgens: ar-Ramān en ar-Raīm, de Barmhartige en de Erbarmer. De naam Allāh spreekt voor zich; deze naam neemt de eerste plaats in en wordt vaak beschouwd als de ‘eigennaam’ van God. Die andere twee namen zijn allebei afgeleid van dezelfde stam, gelijk aan die van het woord voor baarmoeder, ram. Hoewel de vertaling met Erbarmer (voor ar-Raīm) nogal stroef overkomt, is het de enige manier om de gemeenschappelijke wortels van ar-Ramān en ar-Raīm in het Nederlands weer te geven. Beide namen benoemen aspecten van zorgzaamheid, barmhartigheid, behulpzaamheid, bescherming en het tot bloei brengen van leven. Over deze goddelijke eigenschappen heeft God geopenbaard:

“Zeg: Aan wie behoort wat in de hemelen en op aarde is toe? Zeg: Aan God; Hij heeft Zichzelf barmhartigheid voorgeschreven”. (Koran, 6:12)[2]

En nogmaals:

“Wanneer degenen die in Onze tekens geloven bij jou komen, zeg dan: Vrede zij met  jullie! Jullie Heer heeft Zichzelf barmhartigheid voorgeschreven. Als een van jullie iets verkeerds doet uit onwetendheid, [maar] daarna berouw heeft en [de fout] herstelt,  is Hij (God) vergevend en barmhartig”. (Koran, 6:54)

En voor een echte superlatief zie:

“Job riep tot zijn Heer: Ik ben door rampspoed getroffen; [maar] U bent zeker de meest barmhartige (arḥamu ’r-rāḥimīn)”. (Koran, 21:83)

Een andere Godsnaam die, misschien verrassend, een soortgelijke dimensie in zich draagt is het woord voor Heer, Rabb, zoals in de frase Rabb ul-‘ālamīn, “Heer van de werelden”. In het Nederlands roept het begrip ‘Heer’ vooral associaties op van een feodale machthebber, iemand die autoriteit vertegenwoordigt en die met dwang zijn onderdanen onder de duim houdt. Maar in het Arabisch staat het woord Rabb voor een Heer die, naast heersend, vooral ook zorgzaam is. Dit wordt duidelijk als we kijken naar de stam r.b.b., van waaruit diverse andere woorden worden gevormd, bijvoorbeeld rabab: voortbrengen, besturen, en rabbab: grootbrengen, opvoeden en in stand houden. Vooral de laatstgenoemde term verrijkt het Arabische concept van God als ‘Heer’.

Uit het voorgaande blijkt al dat de Arabische Godsnamen eigenlijk niet zo gemakkelijk met een enkel woord kunnen worden vertaald. Het feit is dat de namen van God zijn weergegeven in het Arabisch, een veranderlijke menselijke taal die voor verreweg de meeste moslims niet hun moedertaal is. Het Arabisch van de Koran heeft in de voorbije 1420 jaar (Hijrī) een literaire en heilige status gekregen. Wie hoopt door het bestuderen van modern Arabisch meer inzicht te krijgen in de letterlijke betekenis van de Godsnamen zal daarmee natuurlijk wel het een en ander leren, maar de taal leren wil nog niet zeggen dat de volle betekenis van Gods namen ook werkelijk wordt begrepen. Er zijn miljoenen mensen die van huis uit Arabisch spreken, maar die de volle diepgang ervan toch niet kennen. Er is meer nodig dan dat om de namen en eigenschappen van God enigszins te kunnen doorgronden.

En er schuilt ook nog een risico in de poging om alleen uit te gaan van de woorden, want sommige Godsnamen lijken menselijke eigenschappen te benoemen. Daardoor wordt de indruk gewekt dat God menselijke eigenschappen zou hebben. Maar dat kan niet juist zijn. In de Koran staat nadrukkelijk:

Glorie zij God, Hij is [verheven] boven datgene wat zij aan Hem toeschrijven”. (Koran, 37:156)

Niet alle namen van God doen lieflijk aan, maar er zijn zeker Godsnamen die verwijzen naar eigenschappen die mensen erg aanspreken, als barmhartigheid en zorgzaamheid. Toch zou het misleidend zijn om die los te zien van het geheel van Gods namen en eigenschappen. Aangezien God er vanaf het oerbegin is geweest, nog voordat er iets anders bestond, en Hij de Schepper is van alles, was Hij het Die iets van Zijn eigenschappen tot uitdrukking heeft gebracht in Zijn schepping. Zijn barmhartigheid (rama) en genegenheid (luf) zijn de bron van die van ons, evenals Zijn gestrengheid (qahr). Wij weerspiegelen die eigenschappen als het ware op een beperkte, onvolmaakte manier, terwijl Hij uniek en perfect is en Zijn eigenschappen nooit met het beperkte mensenverstand kunnen worden begrepen. Iets dat zelf beperkt is, kan immers niet in staat zijn het onbeperkte te bevatten.

Ook vanuit het oogpunt van de islam kan Hij, Die uniek is, op geen enkele manier worden vergeleken met iets dat Hij geschapen heeft. Alle grote geleerden van de islam zijn het er over eens, dat Allāh absoluut en onvergelijkbaar is. Sommige Godsnamen zijn herkenbaar als bron van menselijke eigenschappen, terwijl andere namen uitsluitend voor God Zelf kunnen gelden. Voorbeelden daarvan zijn: al-‘Alī (Koran, 37:156): de Sublieme en Verhevene; al-Aḥad (Koran, 112:1): de Ene; al-Wāid: (Koran, 2:162): de Enige; al-Awwal (Koran, 57:3): de Eerste; al Aākhir (Koran, 57:3): de Laatste; al-Bāqī (Koran, 28:88): de altijd Blijvende; al-Khāliq (Koran, 59:24): de Schepper, al-aqq (Koran, 2:26): de absoluut Ware, en aamad (Koran, 112:2): de Eeuwige en onveranderlijke, zonder begin of einde, dat in tegenstelling tot de veranderlijkheid en vergankelijkheid van alle schepsels.

De kloof tussen ons en God, zo stellen de schriftgeleerden en de mystici van de islam, zou voor ons altijd onoverbrugbaar blijven, ware het niet dat God Zichzelf aan ons kenbaar maakt. Dat doet Hij ondermeer door het openbaren van herkenbare tekens en namen waarmee wij Hem – ondanks het feit dat we die maar gedeeltelijk kunnen begrijpen – kunnen benoemen. Hij doet ons als het ware een handreiking, want wij zijn afhankelijk van Hem en van de middelen waarmee Hij Zichzelf kenbaar maakt op een manier die Zijn menselijke schepsels kunnen bevatten, en in de mate die wij kunnen absorberen.

In de Koran stelt God dat we Hem behoren te aanbidden en te dienen, maar hoe zouden we dat kunnen zonder enigszins te weten wie Hij is? Daarom laat God zich in zekere zin ‘kennen’ door Zijn namen, Zijn tekens te vertonen en Zijn instructies te openbaren aan profeten zoals Muḥammad. Wat we als moslims kunnen doen met Godsnamen wordt duidelijk gemaakt in de Koran.

“De schoonste namen zijn die van Allāh, roep Hem daarmee aan”. (Koran, 7:180)

“Zeg: Roep Allāh, of roep Raḥmān – waarmee je Hem ook aanroept, van Hem zijn de schoonste namen”. (Koran, 17:110)

De onkenbare God laat zich ontdekken in Zijn geopenbaarde namen en door de talloze tekens (āyāt) die Hij ons toont in heel Zijn schepping. Het zijn als het ware de sporen, de signaturen, waarmee Hij Zijn aanwezigheid kenbaar maakt in de waarneembare natuur en ook in de mens zelf. Dit wordt bevestigd in zijn namen a-Ẓāhir (Koran, 73:3): de Uiterlijk Gemanifesteerde, en al-Bāin (Koran, 73:3): de Innerlijk Verborgene. Daarnaast zijn ook de verzen van de Koran Zijn tekens; het woord āya, Koranvers (meervoud āyāt ), betekent Gods ‘teken’. We mogen verwachten dat al die verschillende soorten tekens van God, de ene soort als Koran verzen en de andere soorten in de uiterlijke en innerlijke natuur, elkaar aanvullen. Allemaal verdienen ze het om serieus te worden genomen.

“Op de aarde zijn tekens [van God] voor wie zekerheid hebben, en in jullie zelf – zien jullie dat dan niet?” (Koran, 51:20-21)

Voor wie er aandacht aan geeft en een zuivere blik voor heeft ontwikkeld, zijn Zijn signalen te ontdekken in het spirituele hart van degene die God liefheeft. Zoals Hij Zelf heeft aangegeven in de Koran.

In de schepping van de hemelen en de aarde en in de opeenvolging van dag en nacht zijn waarlijk tekens voor degenen met inzicht, die Allāh gedenken, staand, zittend, of liggend op hun zijden en de schepping van de hemelen en de aarde overdenken, [zij zeggen:] Onze Heer, U hebt dit niet voor niets geschapen”. (Koran, 3:191)

“Als jullie de ṣalāt hebben gedaan, gedenk Allah dan, staand, zittend, of liggend op jullie zijden”. (Koran, 4:103)

Het meest volwaardige antwoord op de tekens en signalen die Hij geeft, is het gedenken van God, dhikr Allāh. Dat kan de vorm aannemen van het bestuderen van de Koran, het reguliere gebed, het bewonderen van de natuur, dankbaarheid tonen voor Gods genade, of het meditatief herhalen van Zijn naam, bijvoorbeeld Allāh. Wat dat laatste betreft, zal men heel eerbiedig en bescheiden moeten blijven, in het besef dat Gods namen in absolute zin het menselijk bevattingsvermogen te boven gaan. Maar toch, Hij Zelf heeft ons uitgenodigd om Hem aan te roepen met Zijn vele namen en om Zijn tekens te bestuderen, overal waar die te vinden zijn. Door middel daarvan wordt de band tussen God en mens bevestigd en bewust gemaakt.

“Gedenk Mij (God), en Ik gedenk jullie; wees Mij dankbaar en ontken Mij niet”. (Koran, 2:152)

De wijze waarop Gods tekens kunnen worden bestudeerd, hangt af van de soort waartoe ze behoren. De namen van God kunnen worden uitgesproken en geïnternaliseerd en de verzen van de Koran kunnen worden gelezen en overdacht. In de beginperiode van de islam waren er maar weinig mensen die konden lezen, daarom werd de tekst van de Koran van tijd tot tijd gereciteerd voor belangstellende luisteraars. Daaronder bevonden zich de devote gelovigen die zich speciaal bezighielden met het gedenken van God. In de Koran wordt instructie gegeven aan dergelijke gelovigen.

“Wanneer  de koran wordt gereciteerd, luistert er dan naar en hoor stil toe; wellicht zal [Gods] barmhartigheid jullie deel zijn. En gedenk jullie Heer, ‘s morgens en ‘s avonds in het verborgene, deemoedig en vrezend, zonder de woorden luid uit te spreken. En wees niet onachtzaam”. (Koran, 7:204-205)

Hieruit blijkt dat het meditatief gedenken van God door het herhalen van Zijn naam niet iets is waarmee men te koop loopt. Het naar buiten brengen van eigen vroomheid leidt immers maar al te gemakkelijk tot hypocrisie. Bovendien kan concentratie op bepaalde namen van God onverwachte en onthutsende effecten hebben. Ervaren mystici adviseren dan ook om het te houden bij ‘Allāh’ of ‘Ramān’ (Koran, 17:110), namen die voor alle moslims passend en zinvol zijn. De bijzondere, geïntensiveerde manieren waarop God kan worden herdacht, kunnen worden overgelaten aan ‘specialisten’, de soefi’s, die begeleid worden door getrainde en geautoriseerde soefi-meesters (mashā’ikh aarīqat). Het is niet iets om zelf mee te experimenteren. De beste vorm van dhikr en meditatie voor moslims is het, letterlijk, ‘van harte’ danken en prijzen van Allāh. Zoals in de Koran staat:

“O gelovigen, gedenk God veelvuldig en prijst Hem ‘s morgens en ‘s avonds. Hij is het die jullie zegent – en Zijn engelen – om jullie van de duisternis te voeren naar het licht. Hij is vol erbarmen (raḥīma) voor de gelovigen”. (Koran, 33:41-43)

God is de ware en rechtmatige Meester van de harten van alle gelovigen en Hij zal mettertijd  ieder van hen datgene van Zijn namen en tekens laten zien wat voor hem of haar bestemd is.

“Wij (God) zullen hen Onze tekenen tonen rondom aan de horizon en in henzelf, opdat het duidelijk wordt voor hen dat Hij de werkelijke Waarheid (al-Ḥaqq) is”. (Koran, 41:53)

Noten

[1] Sajidah Abdus Sattar, auteur van onder andere De Positie van de vrouw in de islam en Islam voor beginners,  is sinds 2007 aangesteld als shaikha van de Nimatullahi Soefi Orde. Het plaatselijke centrum (voor Nederland en Vlaanderen) is gevestigd in Leiden.

[2] De vertaling van de Koranverzen in dit artikel is van de hand van de auteur.

Auteur Sajidah Abdus Sattar[1] gepubliceerd in de Al Nisa magazine februari 2013 

Geef een reactie