Anja Lkoundi overleden

donderdag, 08 juli 2010 18:09
Let op: opent in een nieuw venster PDFPrintE-mail

Anja Lkoundi overleden

In juni overleed Anja Lkoundi. Zij was lange tijd bij Al Nisa betrokken.
Leyla Çakir was namens Al Nisa aanwezig bij haar begrafenis. Leyla
typeerde het karakter van de begrafenis open en warm, net als Anja’s
persoonlijkheid. Stella van de Wetering en Abdulwahid van Bommel spraken
onder meer de aanwezigen toe.

In memoriam Anja Lkoundi

Op 20 juni rond 2 uur ’s nachts is Anja Lkoundi aan een langdurige en
sluipende ziekte overleden in het bijzijn van haar man, haar vier kinderen
en haar zus. Voor mij was zij altijd een goede vriendin, hoewel de afstand
Utrecht - Heerlen maakte dat wij elkaar niet al te vaak konden zien en
spreken. Daarnaast was zij voor mij en ongetwijfeld veel lezeressen van
het maandblad een voorbeeld en bron van inspiratie.
Zij heeft op een oprechte, eerlijke en scherpe manier laten zien dat de
islam universeel is en de grenzen van plaats en tijd en dus ook cultuur
overstijgt of in ieder geval hoort te overstijgen. Via haar geschreven en
gesproken woorden blijft ze in onze gedachten.
We wensen haar man, kinderen en andere familie en vrienden veel sterkte
met dit verlies.

Stella van de Wetering

*******************************************************************************************

In memoriam Anja ‘lKoundi Hamaekers (1956 – 2010).

Alle clichés zijn van toepassing. Veel te vroeg van ons heen gegaan. We zullen haar ontzettend missen. Maar dan echt! Vooral haar lichte melodieuze Limburgse geluid door de telefoon, waarmee ze steeds weer zei hoe de vork eigenlijk in de steel zat. Ze vertegenwoordigde twee o’s van wetenschap, onderwijs en onderzoek, als een vrije intellectueel. Zich daarbij steeds kritisch afvragend wat die derde o precies betekende: opvoeding.

Ze heeft op allerlei manieren iets willen betekenen voor ‘de moslimgemeenschap’ van Nederland, voor zover je daarvan kunt spreken. Zij liep daarbij meestal tegen een muur van betweterigheid, volkomen stilstand en het bewaken van de status quo van mannelijk leiderschap.

In het boek waaraan zij was begonnen, wilde zij schrijven over haar moslim zijn en de ziekte die zij had: kanker. Zij schreef: ‘Ik kan me voorstellen, dat u zich afvraagt wat borstkanker en ‘moslim zijn’ met elkaar te maken hebben. Niets natuurlijk. Behalve dat ik het ene heb en het andere ben. En dat kanker mijn bewustzijn zodanig heeft wakker geschud, dat ik –nu of nooit- míjn ontwikkeling binnen de islam wil delen met anderen.’ De prachtige eenvoud van die twee kleine woorden: wat ik ben en wat ik heb. Met die twee werkwoorden kunnen we veel van ons bestaan doorgronden. Ze zei: ‘Ik wil niet langer zwijgen. Ik wil mijn kinderen laten zien dat mijn beleving van de islam vrolijk is, geluk brengt, ontspannen is en vrede brengt. En vooral: dat je vrij bent om keuzes te maken. En ik doe dit lekker theologisch onverantwoord. Want de islam is niet het bezit van de theologen, de imams en de politici. Als ze iets verstandigs te melden hebben, wil ik best naar ze luisteren. Ook wil ik wel advies aannemen. Maar noch theologen, noch imams hebben ook maar enige zeggenschap over me.’ Deze stem is voortijdig het zwijgen opgelegd. Ook hier weer zijn alle clichés bekend. Het was haar tijd. Maar ik had best wat ruilhandel willen drijven met wat 'nutteloos leven' en wat meer leven voor haar willen kopen.

Abdulwahid van Bommel

*******************************************************************************************

In memoriam Anja Lkoundi – Hamaekers

In ons laatste telefoongesprek vroeg ik Anja waar ze naar verlangde. ‘Licht’, zei ze,’ licht’. We maakten een afspraak voor over 2 weken.  Vijf dagen later het bericht dat Anja niet meer in deze wereld was, de mijne stond even stil.
Een vriendschap van meer dan twintig jaar vond haar einde. We hadden elkaar ontmoet op het al Nisa kamp in 1991. We herkenden in elkaar de spirituele zoektocht, die ons bij islam had gebracht. We deelden de zorg om onze opgroeiende kinderen,  onze huwelijksperikelen, combinatie werk en gezin,  onze leeshonger en het wel en wee in onze islambeleving. Het was helend en stimulerend om onze gedachten te kunnen uitspreken. Soms begrepen we elkaar niet, en dat snapten we dan niet van de ander, immers we deelden zoveel en dan was het ondeelbare een onbegrijpelijke hindernis. Haar ziekte en haar naderende dood was zo een hindernis. Ik vond het moeilijk om haar werkelijkheid onder ogen te zien. Anja had de moed om dit naar me uit te spreken. Zij miste mij in dit proces, we hervonden elkaar ten dele, misschien wel omdat we elk een ander stukje te gaan hadden.

Na haar begrafenis lag er bij thuiskomst een witte veer op de oprijlaan. Het voelde als een laatste geschenk van Anja. Ik maakte de volgende haiku:

Thuis ligt op mijn pad
een witte engelenveer
jouw laatste glimlach?

Mariette Bogaers
Juli 2010
*******************************************************************************************
Iemand die zich zeker haar halve leven heeft ingezet voor het bestrijden van vooroordelen is Anja Lkoundi (1956-2010). Op de website van Al Nisa zijn mooie ‘in memoriams’ te lezen. Voor onze website hebben we een artikel uit een maandblad van 1995 opnieuw in opgenomen. Een opvallend actueel artikel, al zal niet iedereen het eens zijn met alle aspecten van haar typering van westerse vrouwen en moslimvrouwen. Lkoundi erkent echter dat die typering grijstinten mist en brengt nuances aan. Daar pleitte ze in het portret in NRC Handelsblad van 8 december 2007 ook voor: “(…) mensen zijn alleen nog geïnteresseerd in discussies tussen voorstanders en tegenstanders Niet in: ergens niet tegen zijn, maar er wel kanttekeningen bij plaatsen”.
Anja Lkoundi
Moslimvrouwenorganisatie Al Nisa
De mythe van de westerse geëmancipeerde vrouw
Anja Lkoundi (1956-2010) was pedagoge. Ze werkte onder meer als schoolbegeleider, als docent didactiek en transculturele pedagogiek, als onderwijstechnoloog en als docent en onderwijskundig adviseur aan de Hogeschool Zuyd in Maastricht. Daarnaast gaf ze vele lezingen over de islam, schreef ze artikelen over de islam en gaf ze adviezen over de participatie van allochtone ouders bij het onderwijs. Voor het maandblad van Al Nisa schreef ze begin jaren negentig over onderwijs. Haar onvermoeibare inzet voor een minder eenzijdige en meer positieve beeldvorming van de islam en moslims leidde in 1995 tot onderstaand maandbladartikel dat we hier nogmaals publiceren, als eerbetoon en in memoriam. Het artikel is gebaseerd op een lezing.
De titel van deze lezing is misschien in tegenspraak met allerlei lezingen en meningen over vrouwen die jullie in het verleden zijn tegengekomen. Meestal wordt de geëmancipeerde westerse vrouw als voorbeeld gesteld voor de islamitische, ongeëmancipeerde vrouw. Sterker nog: de islam wordt als synoniem gezien voor vrouwenonderdrukking, met de hoofddoek als symbool. Vele moslimvrouwen nemen de ideeën over emancipatie over van westerse vrouwen en zien het ‘verwestersen’ als synoniem voor ‘bevrijding en emancipatie’. Het eerste teken van bevrijding zien ze dan als: hoofddoek af. Blindelings lopen zij dan in allerlei valkuilen die westerse vrouwen juist proberen te overwinnen! Zij vergeten dan dat emancipatie ook voor westerse vrouwen vaak een ideaal is dat zij lang nog niet hebben bereikt en waarvan zij nog niet weten hoe het eruit ziet.

Tijdens deze lezing wil ik de positie van de westerse vrouw tegenover de positie van de moslim-vrouw zetten. Met een ‘westerse vrouw’ bedoel ik in dit geval een vrouw met een seculiere levensinstelling en een christelijke achtergrond, en met een moslimvrouw bedoel ik een min of meer religieus praktiserende vrouw met een traditionele achtergrond. Het tegenover elkaar zetten van beide posities werkt polarisatie in de hand en tekent zaken die eigenlijk genuanceerde grijstinten zijn, ongenuanceerd zwart/-wit af. Ook doe ik onrecht aan de individualiteit van ieders situatie. Ik ben me hier terdege van bewust, maar ik doe dit vanwege de helderheid van mijn betoog en om discussie uit te lokken. In onze dagelijkse omgang met elkaar is een genuanceerde houding echter een voorwaarde om nader tot elkaar te komen.

Nadat ik de posities van beide groepen heb neergezet en verklaard, geef ik aan hoe wij als mos-limvrouwen vorm kunnen geven aan onze eigen emancipatie binnen islamitische kaders. Als laatste geef ik met diverse voorbeelden aan hoe men dit binnen de westerse context kan realise-ren.
Posities van westerse en moslimvrouwen vergeleken Westers Moslim.

De vrouw is psychisch en sociaal afhankelijk van de man. De vrouw is psychisch onafhankelijk.
De vrouw is vaak economisch afhankelijk van de familie, man of van de staat, maar streeft naar economische onafhankelijkheid. De vrouw is vaak economisch afhankelijk van familie of man. De vrouw streeft niet altijd naar economische onafhankelijkheid, maar naar betere verzorging.
De vrouw heeft een onbeperkte toegang tot arbeidsmarkt en scholing. De vrouw heeft beperkte toegang tot arbeids-markt en scholing.
De vrouw wordt zelfs verplicht tot arbeid vanaf 18 jaar. De vrouw is door de islam vrijgesteld van het kostwinnerschap, maar moet werken vanwege armoede, of mag niet werken van haar man.

De vrouw is vrij in haar partnerkeuze en haar leven vanaf de vroege puberteit wordt vaak bepaald door het zoeken naar de juiste partner. De vrouw is vaak niet vrij in haar partnerkeuze en mannen spelen een geringe rol voor het huwelijk.
Het streven is naar omwisselbare rolpatronen. Het streven is naar aanvullende rollen.

Deze factoren leiden tot verschillende gedragingen van westerse en islamitische vrouwen. Dit uit zich bij westerse vrouwen in de drang om mannen steeds te evenaren, als het ware op hun stoel te gaan zitten: ‘Wat hij kan, kan ik ook’. Daardoor worden vrouwen die bijvoorbeeld piloot zijn of loodgieter, als supergeëmancipeerd ervaren en stimuleren scholen meisjes om techniek te studeren. Man en vrouw, jongen en meisje zijn dan ook steeds elkaar concurrenten, terwijl ze tegelijkertijd op zoek zijn naar een potentiële partner. Zo raken jongens en meisjes en mannen en vrouwen gefocust op elkaar en lopen ze het risico hun hele leven te laten bepalen door mannen als concurrenten of de man als hun partner. Daarbij wordt de partnerkeuze beïnvloed door een ‘romantische’ opvatting over liefde, waarbij de partner vooral ‘leuk’ moet zijn en ‘vlinders in de buik’ moet bewerkstelligen. Na het huwelijk is de man - doordat er niet echt sprake is van een ‘vrouwencultuur’ in Nederland - de enige via wie de vrouw sociale contacten kan leggen en waar zij emotioneel op kan steunen. Hierdoor wordt de liefde die zij kan geven aan haar man, en de genegenheid die ze terug ‘eist’, allesbepalend voor haar leven. Als de man onvoldoende genegenheid toont, wordt dat als een ramp ervaren, waarop zij reageert door nog meer lief te hebben en alles te doen om hem ter wille te zijn, of te scheiden. Het risico is groot dat zij hierdoor altijd in een slachtofferrol belandt. Het zoeken naar betaalde arbeid is dan ook niet altijd een streven naar economische onafhankelijkheid, maar ook een manier om zelfstandig sociale contacten op te kunnen bouwen en zich emotioneel onafhankelijker te voelen. Betaalde arbeid wordt zo het synoniem van emancipatie.

Moslimvrouwen met een traditionele achtergrond hebben in het geheel geen behoefte om man-nen te evenaren. Sterker nog, zij hebben mannen niet echt nodig, behalve voor inkomen en voortplanting. Hun opvatting over de liefde is ‘zakelijker’: moslimvrouwen kijken of hun man voor hen en de kinderen kan zorgen, en of hij hun onafhankelijkheid niet teveel aantast. Een ontwikkelde moslimvrouw legt zaken dan ook vast in het huwelijkscontract. De enige echte intense liefde is de liefde van en voor haar kinderen. Sociale contacten, emoties en psychische problemen uiten zij meer bij vrouwengroepen, hun ‘zusters’, dan bij hun man. Binnen deze vrouwengroepen vinden vele vrouwen ook economische zelfstandigheid, doordat zij hierbinnen betaalde functies kan vervullen. Denk hierbij aan vroedvrouwen, vrouwen die allerlei diensten verlenen aan de bruid, zieneressen en kruidenspecialisten, vrouwen die werken in badhuizen en vrouwen met allerlei psychotherapeutische vaardigheden. Helaas worden deze functies onderge-waardeerd en slecht betaald en zijn ze in deze tijd aan het verdwijnen. Een bijkomend fenomeen hierbij is echter dat moslimvrouwen vaker beperkt worden in hun vrijheid door andere vrouwen, zoals hun moeder of schoonmoeder.

De behoefte om mannen te evenaren uit zich bij westerse vrouwen tevens in het onderwaarde-ren van de moederlijke zorg en opvoeding van kinderen. Mannen hebben deze taak steeds links laten liggen en ook in deze tijd nemen mannen slechts mondjesmaat zorgtaken over, en dan ook nog alleen de leuke dingen. Ook de samenleving waardeert de moederlijke zorg niet en doet alsof ‘iedereen’ deze taak kan overnemen. Hierdoor worden de zorgtaken voor steeds jongere kinderen en baby’s overgedragen aan anderen, ‘vreemden’ en worden kinderen op steeds jongere leeftijd buiten de familie geplaatst. Bij moslimvrouwen echter wordt de zorg voor inkomen niet hoger gewaardeerd dan de zorg voor kinderen. Eigenlijk wordt betaalde arbeid ook als een zorgtaak gezien ten dienste van het gezin, en niet ten dienste van het individu zelf. Dat was in Nederland tot voor kort ook zo! Men sprak van een gezinsinkomen. Dit wordt nu afgeschaft omdat men meent dat vrouwen hierdoor niet gaan werken. En betaalde arbeid is immers synoniem aan emancipatie geworden.

Zeg ik nu dat islamitische vrouwen geëmancipeerder zijn dan westerse? Nee hoor, laten we elkaar niet voor de gek houden. Ik stel hier slechts vast dat ook westerse vrouwen niet geëmancipeerd zijn, en dat ze dat ook door betaalde arbeid niet automatisch zullen worden. Het feit dat westerse vrouwen meer mogelijkheden hebben, is in mijn visie alleen te danken aan de gigantische economische voorsprong die westerse landen hebben ten opzichte van (en over de rug van) Derde Wereldlanden en de democratische overlegstructuren die zij tot hun beschikking hebben. De beroerde positie van vrouwen in islamitische landen (want dit zijn meestal Derde Wereldlanden) is dan ook voor een groot deel te wijten aan economische factoren. Daarnaast is het ook te wijten aan de dominantie van mannen in alle sectoren van de samenleving en binnen het gezin. Dit laatste is een probleem van álle vrouwen.

Mijn conclusie van dit eerste deel van de lezing is, dat de weg naar emancipatie van de westerse vrouw een andere is dan die van een islamitische vrouw. De definitie van ‘vrijheid’ en zich ‘be-vrijden’ is een heel andere. Westerse vrouwen moeten zich bijvoorbeeld eerst nog psychisch en sociaal onafhankelijk van de man leren opstellen, iets wat vele moslimvrouwen allang hebben. Moslimvrouwen zijn vaak heel zelfbewust als het gaat om de waardering van de zorgtaken. Ik ken oudere zelfbewuste moslimvrouwen die het zorgen voor een inkomen zelfs lager waarderen dan de moederzorg! Een ander voorbeeld is de meer zakelijke benadering van het huwelijk (waar trouwens de liefde ook de grootste plaats in kan nemen!). Deze benadering bevrijdt moslimmeisjes van het gevoel om al vanaf hun veertiende constant ‘mooi’ te moeten zijn en ‘aantrekkingskracht voor de andere sekse’ als kwaliteit te moeten ontwikkelen (dit geldt trouwens ook voor jongens). Daarbij zijn ze, op het moment dat ze daaraan toe zijn, verzekerd van hulp van ervaren volwassenen bij het zoeken naar een partner. Als moslimmeisjes via de westerse manier willen emanciperen, is het risico groot dat er conflicten ontstaan met de islamitische cultuur, terwijl ze tegelijkertijd hun vrijheid en welzijn niet vinden binnen het westerse kader. De kans om met lege handen komen te staan, is dan erg groot. Er is dus een ‘eigen’ emancipatie nodig, maar hoe?

Een eigen emancipatie
We verlaten nu de vergelijking met de westerse situatie en bekijken de situatie binnen de islamitische cultuur. We weten dat de islamitische cultuur bepaald wordt door verschillende ‘lagen’: het woord van Allah (de Koran), de islamitische leer, de tradities en gewoonten, de enorme onwetendheid en ongeletterdheid van de bevolking. Het gevolg van dit laatste is een totale afhankelijkheid - van zowel mannen als vrouwen - van degenen die de economische en culturele macht hebben.
Het allereerste waar we ons met man en macht van moeten bevrijden, is onwetendheid en onge-letterdheid. Leren is een plicht voor iedere moslim en het zou ook voor iedere moslim verplicht moeten zijn. Onwetendheid is verstikkend. Onwetende ouders zijn verstikkend voor de zich ontwikkelende kinderen, onwetende mannen zijn verstikkend voor de vrouw die zich wil ontwikkelen. Het enige wat onwetende ouders en mannen vaak menen te weten, is dat ze de baas zijn. Ze onthouden ook alles uit de Koran waarvan zij menen dat dit hun autoritaire houding ondersteunt. Ieder initiatief van een jongere of vrouw, dat afwijkt van hun autoritaire en vermeend islamitische opvatting, wordt afgewezen. Er is geen discussie en dialoog mogelijk. Hierbij is er geen sprake van een ‘schuldvraag’. Deze ouders kunnen daar vaak ook niets aan doen. Ze zijn niet gewend om te luisteren naar hun kinderen en hen serieus te nemen.

De eerste stap naar emancipatie voor mannen en vrouwen is het zoeken naar kennis, zowel van de islam als van maatschappelijke zaken. Dit kun je niet los van elkaar zien. Kennis staat niet in dienst van carrière en werk, maar vooral van zelfontplooiing als moslim. Alleen zo kun je jezelf ontwikkelen tot een goede ouder en echtgenoot, en eventueel ook tot een goede werknemer. Ontwikkelde mannen en vrouwen kunnen een geëmancipeerde relatie met elkaar onderhouden, of ze nou moslim zijn of niet. Door het verwerven van kennis leer je ook de goede tradities van de slechte te onderscheiden. Zo kunnen ontwikkelde vaders en moeders de vrouw- en meisjeonterende tradities een halt toeroepen, door hun dochters ervoor te beschermen. Ontwikkelde vrouwen kunnen uitspraken uit de islam die door mannen gebruikt worden om hun primaat in de schepping en hun almacht te ondersteunen, ontzenuwen als puur machtsmisbruik van ‘het recht van de sterkste’.
Hiervoor is echter noodzakelijk dat vrouwen zich verdiepen in de islamitische leer (sjari’a) en deze interpreteren volgens het perspectief van de vrouw. Hierbij wordt verondersteld dat mos-lims het recht hebben om de Koran zelf te lezen en te interpreteren. Dat dit een ‘gewaagde uit-spraak’ is, blijkt wel uit het feit dat een vooraanstaande geleerde uit Soedan, Mahmoud Mohamed Taha, in 1985 door de machthebbers is vermoord vanwege het feit dat hij de traditionele interpretatie van de Koran wilde vervangen door een nieuwe eigentijdse interpretatie en daarop maatschappelijke vernieuwingen wilde baseren. Het recht om de Koran zelf te lezen en te interpreteren, ligt in de Koran zelf vastgelegd in de eerste geopenbaarde soera:
“Lees voor!” (Soera Al-‘Alaq, 96:1)
Er staat ook:
“(…) misschien zullen jullie nadenken over het tegenwoordige leven en het hiernamaals (…).” (Soera Al-Baqara, 2:219).
“(…) een deel ervan bestaat uit eenduidige tekenen - zij zijn de grondslag van het boek - een deel uit meerduidige (…).” (Soera Aal-‘Imraan, 3:7).
“Overpeinzen zij de Koran dan niet? Als hij van een ander dan God [gekomen] was, dan zouden zij er veel tegenstrijdigs in vinden.” (Soera An-Nisaa’, 4:82)
Er staat in de Koran ook dat uiteindelijk Allah de Wijze en de Vergevende is, en niet de imam of de ‘alim of wie dan ook. Als iemand de sjari’a onfeilbaar maakt, dan ontkent hij de continuïteit en ontwikkeling van de mensheid, en ontkent hij tevens dat de absolute waarheid van God komt. Wij moslims kunnen geen twee bronnen als absolute waarheid hanteren. Er is maar één God en mensen zijn feilbaar. Ik betwist dus hier niet de eeuwige waarheid van de Koran, maar stel dat de Koran geïnterpreteerd is door geleerden, allen mannen, die in alle oprechtheid regels afleidden volgens de maatschappelijke context van hun tijd en plaats.
An-Na’im schrijft in zijn boek over de manier waarop de sjari’a is afgeleid uit de Koran en soenna en hij stelt hierbij ook dat de context bepalend is voor de interpretatie.  Ook een andere islamitische schrijver, Asghar Ali Engineer, schrijft over de ‘evolutie en ontwikkeling’ van de sjari’a en de dynamiek van het principe van de interpretatie.  De poorten van de idjtihaad (de interpretatie) werden pas gesloten na het verval van de Abbasiden in de derde eeuw (na de hidjra). Weten jullie dat de grote bloeiperiode in de islamitische geschiedenis juist door die eeuwen gevormd werd toen er wel nog vrij mocht worden geïnterpreteerd?
Als wij met zijn allen, mannen en vrouwen, het principe van de vrije interpretatie durven te erkennen, dan kunnen wij vanuit onze eigen context en vanuit ons vrouw-zijn de discussie aangaan met elkaar en met onze mannen en zonen, vaders en broers. De laatste twee groepen, vooral de vaders, zijn het allermoeilijkst om mee te discussiëren. Zij kunnen dit vaak niet met hun kinderen. Als dat zo is, laten we dan, zoals gezegd, met elkaar en met onze kinderen en mannen beginnen. Deze discussie moet dan wel gebaseerd zijn op kennis van zaken. De functie van een ‘alim of ‘alima (geleerde, man of vrouw) is hierin cruciaal. Alleen moet de houding van de ‘alims veranderen. Dit moet niet iemand zijn die in een monoloog de Koran uiteenzet en - wat vaak ook nog voorkomt ¬- mensen veroordeelt, maar iemand die tevens kennis en begrip heeft van de context waarin mensen leven.

Emancipatie van moslimvrouwen binnen de westerse context
Ik denk dat de westerse context uitermate geschikt is voor de emancipatie van moslims (mannen en vrouwen). Er zijn hier vele mogelijkheden voor scholing voor iedereen, er zijn democratische overlegstructuren, er is vrijheid voor het vormen van verenigingen, stichtingen en dergelijke, er is vrijheid van godsdienst, vrijheid van meningsuiting, men kan eigen scholen op religieuze grondslag stichten, enzovoort. Deze vrijheden - die niet-moslims dus ook hebben - roepen echter ook belemmeringen op voor moslims, zoals de exhibitionistische manier van het uitdrukken van de seksuele vrijheid.

Wij hebben een kader nodig van mensen, mannen en vrouwen, die ons helpen een weg te wijzen binnen deze vrijheden en op te gaan met de belemmeringen, zodat wij onze moslimidentiteit in Nederland kunnen vormgeven. Wij missen echter ruimdenkende ‘alims en ‘alima’s die de westerse context begrijpen en tevens inzicht hebben in de maatschappelijke en culturele processen van religieuze minderheden. Moslims in het algemeen - mag ik ze hier even ‘geboren moslims’ noemen? - of ze nu ‘alim zijn of niet, missen veelal het vermogen om over islam te denken in termen van het hier en nu. Zij kijken met liefde en trots op hun grootse verleden en sommigen zouden de eerste eeuwen van de islam zelfs in deze tijd in ere willen herstellen. Merkwaardig genoeg zijn zij voor wat betreft hun materiële zaken zeer wel in staat om in het hier en nu te leven. Dit is immers de reden waarom zij gemigreerd zijn.

Dus ook al zijn er in het hier en nu in Nederland talloze mogelijkheden om je als moslim te ont-plooien - uiteraard naast talloze belemmeringen - deze mogelijkheden worden onvoldoende onderkend. Toch maant de Koran ons tot het volgende:
“(…) misschien zullen jullie nadenken over het tegenwoordige leven en het hiernamaals.” (Soera Al-Baqara, 2:219).
Laten we dus nadenken over ons tegenwoordige leven. Niet over hoe het was, of hoe het eens zal zijn. Dan word je geconfronteerd met honderden dagelijkse keuzen binnen je eigen context, die alles met je moslim zijn te maken hebben. Hoe meer je trouwens weet over de slam, hoe meer keuzen je moet maken. Ik zal hier deze keuzen niet voor jullie maken. Ik kan ze alleen voor mezelf maken. En of ik de goede keuze maak, weet zelfs een ‘alim niet. Ik vertrouw erop dat God de Wijste is.
“Of jullie openlijk laten blijken wat in jullie binnenste is of het verbergen, God rekent met jullie daarover af (…).” (Soera Al-Baqara, 2:284).

Laat ik eens een paar voorbeelden geven.
Eerste voorbeeld: de hoofddoek
Ik typeer hier negen vrouwen: vier met en vier zonder hoofddoek en een soms met en soms zonder.
Type 1: met hoofddoek. Niet bewust gekozen, maar vanuit traditie. Zij weet niet beter en voelt zich zonder doek niet gekleed. Ze weet ook dat het zo hoort vanuit de sjari’a.
Type 2: met hoofddoek. Draagt de hoofddoek bewust om islamitische identiteit uit te dragen. Heeft deze doek voorheen vaak niet op gehad. Ze weet ook dat het zo hoort vanuit de sjari’a.
Type 3: met hoofddoek. Zij haat deze hoofddoek, omdat zij deze onder dwang van vader, echt-genoot of islamitische gemeenschap moet dragen. Voelt zich zonder doek buiten de islamitische gemeenschap staan en wil dat niet, maar tegelijkertijd wil ze liever niet opvallen. Kan niet kiezen.
Type 4: met hoofddoek. Zij weet dat ze veel mooier is zonder, maar draagt de hoofddoek omdat ze zich zo bescheiden en onopvallend mogelijk in de samenleving wil bewegen.
Type 5: zonder hoofddoek. Is vanuit haar opvoeding niet gewend aan een hoofddoek en voelt zich met hoofddoek een vreemde voor zichzelf. Kleedt zich verder onopvallend/degelijk.
Type 6: zonder hoofddoek. Heeft hoofddoek afgedaan of weigert hem te dragen als teken van emancipatie. Verder als type 5.
Type 7: zonder hoofddoek. Vindt het een onzinnige regel uit de islam, en vindt meer islamitische zaken flauwekul. Draagt veel make-up en sexy kleding, ook wel om haar ouders te ergeren.
Type 8: zonder hoofddoek. Wil eigenlijk liever een hoofddoek dragen, maar wil in de westerse context op straat en werk niet opvallen en nagewezen worden.
Type 9: draagt hem soms wel en soms niet, al naar de situatie waarin ze zich bevindt. Bij bepaalde werkzaamheden is het sociaal of fysiek onpraktisch om hem te dragen, bij andere zaken vindt zij het noodzakelijk. Dit wil niet zeggen dat ze onoprecht is. Ze probeert zich alleen maar enigszins aan te passen aan haar omgeving, omdat zij niet vanwege haar hoofddoek (of deze nu op of af is) afgewezen wil worden.
Misschien zijn er nog wel veel meer redenen om al dan niet een hoofddoek te dragen. Maar welke vrouw is nou de ‘ware moslima’? Zou de imam of een ‘alim alle vrouwen met hoofddoek ‘goed’ vinden en alle vrouwen zonder hoofddoek ‘slecht’? Hij kan niet in hun binnenste kijken. Alleen God kan dat. Verder weet ik ook wel dat het dragen van een hoofddoek hoort vanuit de sjari’a.. Maar ik weet ook dat alle moslims - mannen en vrouwen - zich aanpassen aan de omstandigheden. Doen wij bijvoorbeeld niet allemaal mee met het systeem van de geldeconomie dat gebaseerd is op woeker (verboden in de Koran)? Of weigeren alle moslims - zowel individuen als moslimlanden - rente over hun banktegoeden? Laten we elkaar niet veroordelen, maar proberen om in onszelf te kijken en onze eigen motieven te ontraadselen en hierover van gedachten te wisselen.
Een ander voorbeeld: Wie is de baas in huis?
Veel mannen voelen zich minder moslim als zij vrouwen hebben die een evenredige bijdrage leveren aan het gezinsbudget en over alle zaken hun stem laten horen. Zij hebben liever vrouwen die hen gehoorzamen (of net doen alsof) en alle beslissingen aan hen over laten. De argumenten hiervoor menen zij op tal van plaatsen aan de Koran en de sjari’a te kunnen ontlenen. Een beroemd vers dat hiervoor vaak wordt misbruikt, is het volgende:
“De mannen zijn zaakwaarnemers voor de vrouwen, omdat God de een boven de ander heeft bevoorrecht (…). De deugdzame vrouwen zijn dus onderdanig (…).” (Soera An-Nisaa’, 4:34)
Men denkt vanzelfsprekend dat de uitspraak ‘de een boven de ander’ de man boven de vrouw plaatst, maar men kan het ook zo zien dat soms de één, soms de ander bevoorrecht is. Verder denkt met als vanzelfsprekend dat de vrouwen onderdanig zijn aan de man, terwijl hier volgens mij bedoeld wordt dat zij onderdanig zijn aan God. Verder staan er op tal van andere plaatsen uitspraken die weer een ander licht op de man-vrouwverhouding werpen, zoals:
“Als beiden echter met wederzijds goedvinden in gezamenlijk overleg met het zogen willen stoppen, dan is dat voor geen van beiden een overtreding.” (Soera Al-Baqara, 2:233).
Het is voor moslimmannen en -vrouwen broodnodig om de discussie over de man-vrouwverhouding binnen de islam in de westerse context met elkaar te voeren. Wij moeten deze discussie niet voeren met niet-moslims, waarbij we in de verdediging worden gedrongen. Mannen moeten deze discussie niet alleen ‘als mannen onder elkaar’ voeren. Dit geldt ook voor vrouwen. Het kan wel een goede start zijn, maar daar moet het niet bij blijven. Het moet beide. Het moet zeker niet zo zijn, dat ‘alima deze discussie onder elkaar voeren en anderen daarvan uitsluiten. De Koran is van ons allemaal, niet alleen van hen.

Slot
Ik wil deze lezing beëindigen met de conclusie dat een wezenlijk element van emancipatie van moslimvrouwen ligt in het verwerven van kennis (dit betekent tevens het begrijpen) van de Koran, en dat zij deze kennis leren te relateren aan de context waarin zij nu leven. Zij moeten leren deze kennis te vertalen naar hun eigen situatie, bijvoorbeeld naar de opvoeding van hun kinderen in Nederland. Zij zouden in de gelegenheid moeten worden gesteld om dit samen met hun moslimzusters te doen, onder deskundige begeleiding. Daarbij is het van essentieel belang dat mannen op de een of andere wijze betrokken raken bij dit emancipatieproces, omdat ook zij hierdoor mee-emanciperen.